
Jurisprudentie
AF4664
Datum uitspraak2003-02-12
Datum gepubliceerd2003-02-18
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof Leeuwarden
ZaaknummersWAHV 02/1352
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2003-02-18
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof Leeuwarden
ZaaknummersWAHV 02/1352
Statusgepubliceerd
Uitspraak
WAHV 02/1352
12 februari 2003
CJIB 29047336951
Gerechtshof te Leeuwarden
Arrest
op het hoger beroep tegen de beslissing
van de kantonrechter van de rechtbank te Breda
van 20 september 2002
betreffende
[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),
wonende te [woonplaats]
1. De beslissing van de kantonrechter
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie in het arrondissement Breda ongegrond verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
2. Het procesverloop
De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.
De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een verweerschrift in te dienen, maar heeft van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt.
3. Beoordeling
3.1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van fl 310,= (= Euro€ 140,67) opgelegd ter zake van "als weggebruiker buiten noodzaak over de vluchtstrook of vluchthaven rijden" (feitcode R465A), welke gedraging zou zijn verricht op 31 oktober 2001 op de Rijksweg A27 in de gemeente Werkendam.
3.2. De in feitcode 465A vermelde gedraging is een overtreding van art. 43, derde lid, RVV1990, dat luidt als volgt: "Behoudens noodgevallen is het de weggebruikers verboden op een autosnelweg of autoweg gebruik te maken van de vluchtstrook, de vluchthaven of de berm."
3.3. De betrokkene ontkent niet met het voertuig waarvan het kenteken op zijn naam is gesteld over de vluchtstrook te hebben gereden. Hij stelt zich echter op het standpunt dat dit niet "buiten noodzaak" geschiedde dan wel dat de omstandigheden waaronder de gedraging heeft plaatsgevonden het opleggen van een administratieve sanctie niet billijken.
3.4. Daartoe voert de betrokkene aan dat hij in een uiterste poging om een aanrijding met zijn voorligger te voorkomen op de vluchtstrook naast de Rijksweg A27 is gaan rijden. Betrokkene licht zijn handelen als volgt toe:
Ik kwam met een bepaalde snelheid aanrijden waarbij ik te laat heb opgemerkt dat er een file ontstond. Daardoor was ik niet meer in de mogelijkheid op tijd te remmen, zodat ik ben uitgeweken over de vluchtstrook, anders had ik mijn voorganger geraakt. Daarna werd ik er niet meer tussengelaten op de snelweg bij de volgende auto's omdat deze dachten dat ik moedwillig gebruik maakte van deze vluchtstrook om de file te ontwijken. Gezien het feit dat dit alles is gebeurd ongeveer 200 meter voor de afrit Nieuwendijk en ik er niet meer werd tussengelaten, ben ik doorgereden naar de afslag en heb ik daarna mijn weg vervolgd.
3.5. Een proces-verbaal, nr. PL2042/02-36040, d.d. 25 maart 2002 op ambtsbelofte opgemaakt door R. Hopstaken, agent van politie Midden en West Brabant, houdt onder meer - zakelijk weergegeven - in:
Op 31 oktober 2001 stond ik bijna stil met mijn auto in de file op de rechterrijstrook van de rijksweg A27. Op deze weg werd door middel van matrixborden aangegeven dat er 50 km/u gereden mocht worden. Op beide rijstroken stond het verkeer stil of bijna nagenoeg stil in verband met een file. Ik zag in mijn achteruitkijkspiegel dat er een blauwe Citroën Xsara over de vluchtstrook mijn richting uit kwam rijden. Ik zag dat de Citroën Xsara over een afstand van ongeveer 40 meter gebruik van de vluchtstrook maakte en vervolgens via de afslag Nieuwendijk de snelweg verliet.
3.6. Zowel uit het relaas van verbalisant als uit de eigen verklaring van de betrokkene blijkt dat niet (bij voortduring) van een noodgeval in de zin van voormelde bepaling sprake was. Het over de vluchtstrook -blijven- rijden zoals door de verbalisant is geconstateerd moet immers los worden gezien van een mogelijke eerdere situatie waarin het wellicht noodzakelijk was om, ter voorkoming van een botsing, naar de vluchtstrook uit te wijken.
3.7. Op grond van het vorenstaande staat naar de overtuiging van het hof vast dat de betrokkene de gedraging heeft verricht. Derhalve zal het hof de beslissing waarvan beroep bevestigen.
4. De beslissing
Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter.
Dit arrest is gewezen door mr. Dijkstra, in tegenwoordigheid van Meester
als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.

